Voorwoord Wilfried de Jong.

100 van Cool.

 Er is een korte afweging in je hoofd. Twijfel, trots, lef en verlegenheid strijden om voorrang. Een onbekende man – hij noemt zich Fred – spreekt je aan op straat. Of je op de foto wilt, het kost je maar drie minuten.

Je wikt en weegt.

Fred heeft vriendelijke ogen maar dat heeft een charlatan met zijn balletje-balletje ook. Zomaar een foto laten maken van je gezicht in zwart-wit? Een lang nummer eronder en je verdwijnt voor eeuwig als misdadiger in een politiemap. Binnen in een pand aan de Coolsingel staat de handlanger van Fred. Dat is de fotograaf – hij noemt zich Hans, als hij je een hand geeft. Ja, ook weer zo’n man met een vriendelijke kop. En de camera die hij in zijn hand heeft, dat lijkt je geen rotzooi.

Dit plannetje van die twee vrienden om een fotoboek maken met 100 portretten van toevallige voorbijgangers klinkt eigenlijk wel geloofwaardig. Ach, wat is drie minuten op een heel leven? Een gehaktbal van de keurslager doet er langer over om vanbinnen heet te worden in een magnetron.

Vooruit, je doet het.

Hans kruipt achter zijn camera. Fred rommelt met één lamp en een spiegeltje. Het licht zoekt zich een weg naar je gezicht.

Vanochtend had je nog in de spiegel gekeken. Naar jezelf kijken is niets verhullend: je ziet altijd iets. Een gezicht vertelt een verhaal. Je ziet een scala aan kenmerken. Rimpels op je voorhoofd, een vlekje op je slaap, ongelijke neusvleugels, een frons tussen je wenkbrauwen, die geile twinkeling als je je ogen samenknijpt, je gulzige mond of juist je benepen bek.

In de spiegel ben je de regisseur van je eigen model. Je kunt het mooier maken dan het is, maar ook lelijker, gevaarlijker. Nu staan die Fred en Hans voor je. Je hoort het klikken van de camera, het licht prikt in je ogen. Je krijgt aanwijzingen. Iets naar links, iets naar beneden. Ja, dit is goed. Houden zo.

In drie minuten tijd wordt er met iedere klik een foto gemaakt. Een foto neemt iets van je en zelf bepaal je hoeveel je geeft. Soms voelt het fijn, je denkt dat je er mooi opkomt, of stoer, of sexy. Maar het knaagt ook: zouden ze dwars door mijn huid, mijn zwakke en lelijke plekken zien?

In de ruimte daalt het besef in dat drie minuten een lange tijd is als je zo geconcentreerd met elkaar aan de slag bent. Het is eerlijk en direct.

Je bent overgeleverd aan Hans en Fred. Even draai je het om; wat staat er op hun voorhoofd, in hun ogen, rond hun mondhoeken? Goed turen, luisteren en je bespeurt veertig jaar gezworen vriendschap. Samen rammen op dure racefietsen, samen reizen, drinken, samen werken. Samen, dat is het goede woord. Best mooi om drie minuten samen met die Hans en Fred te zijn.

Het is klaar. Je geeft een hand, je adres en je staat weer buiten op straat. Een minuscuul deel van jezelf – niet meer dan een flits uit je leven – zit opgeslagen in die mooie camera. Je komt in een boek. Die Fred gaat het vormgeven. Dat is zijn vak. Zoals Hans decennialang een fotostudio had.

Je kunt niet meer terug: je hoofd is vereeuwigd. En met jouw hoofd nog negenennegentig anderen. Honderd portretten van ons, passanten, staan in een fotoboek. Vingers zullen over ons gezicht gaan, ze voelen aan onze haren, onze kleding, oren, brillen, moedervlekken. Ze wijzen, ze lachen, schudden het hoofd. Het mag. Wij tonen ons aan de wereld, gebutst en gevormd door het bestaan.

Kijk maar, wij zijn de 100 van Cool.

 

Wilfried de Jong

 < <